Draaien in een kringetje

Vroeger is als vandaag

Onder de toren van Finsterwolde ligt het oude kerkhof. Geklepper klinkt uit de bomen. Ooievaars begroeten het nieuwe lenteleven. Hoog staan zij op hun nest in de kroon van de treurbeuk, met het zicht op de verstilde graven en de rust van de eindeloze akkers achter de huizenrij. Daar beginnen de polders van de Dollard.

Rust en ruimte”, zegt de oude Jacob. Alsof hij onze gedachten lezen kan. Hij komt terug van zijn bezoek aan het kerkhof. Daar liggen zijn vrouw en zijn zoontje. Zijn zoontje leed aan een zeldzame ziekte. Meer dan een jaar lag hij in het ziekenhuis. Elke dag bezocht Jacob hem, met hoop op beter. Zijn zoontje stierf toen hij twee jaar was. Vader Jacob vertelt alsof het gisteren was. Tweeëntachtig jaar is hij.

Mijn vrouw is er nooit overheen gekomen. Maar erover praten heeft geen zin. Dan past straks de kaft niet meer om het boek. Je blijft draaien in je eigen kringetje. Ik trok de polder in. Mijn vrouw werd ziek en stierf. Zeven jaar lang zorgde ik voor haar. Dat doe je als je getrouwd bent. Ik wel tenminste”.

Het zijn rare tijden. Het is als de oorlog. Het kan alle kanten uit. Mijn vader was een jaar van huis, meegenomen. Toen hij terugkwam werd er niet over gepraat”.

Alles van vroeger is als vandaag. Alles draait in een kringetje. Tachtig jaar oorlog van binnen. De polders geven Jacob rust en ruimte. Opeens weet hij: mijn eigen kringetje is maar een klein stukje van de weidsheid. Net als de ooievaars kan ik de graven zien en de eindeloze ruimte om mij heen. Ruimte voor verzoening en vrede in mijzelf.

Enkele minuten staan wij stil bij elkaar.

Voordat Jacob verder loopt, stelt hij ons een vraag: “Wanneer staat een ooievaar op één poot?”. Wij krijgen het niet bedacht. Totdat we zelf op één been gaan staan. Dan komt het antwoord als vanzelf. “Wanneer hij zijn andere poot intrekt”. “Ja”, zegt Jacob. We kijken nog één keer in zijn lichtende blauwe ogen. Dan neemt hij afscheid met een glimlach.